219



Biocidenverordening: gevolgen voor zwembaden

06-11-2015
Eigenaren en beheerders van zwembaden krijgen te maken met de gevolgen van de biocidenverordening, die het in de handel brengen en gebruik van biociden reguleert.

Biociden bevatten werkzame stoffen om mensen, dieren, materialen of voorwerpen te beschermen tegen schadelijke organismen, zoals ongedierte of bacteriën. Voor zwembaden heeft deze Europese verordening betrekking op alle stoffen die in de accommodatie gebruikt worden als biocide. Dit kunnen biociden zijn die als kant en klaar product gekocht en gebruikt worden, of biociden die in-situ geproduceerd worden. Voor beide situaties is de biocidenverordening van toepassing, dus voor actief chloor uit chloorbleekloog, uit chloortabletten of -granulaat maar ook actief chloor uit zoutelektrolyse-installaties. Daarnaast geldt de regelgeving ook voor in-situ geproduceerd ozon, chloor dioxide en koper-zilver systemen.

De biocidenverordening is op 1 september 2013 in werking getreden. Alle werkzame stoffen in biociden moeten Europees beoordeeld worden. Het programma daarvoor loopt nog door tot 2024. Verder moeten biocide producten die in Nederland verhandeld en gebruikt worden altijd een toelating hebben van de Nederlandse toelatingsautoriteit, het Ctgb (College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden). Voor de Europese beoordeling van de werkzame stoffen moet een stofdossier ingediend zijn. In dit stofdossier zijn de gevolgen van het gebruik van de werkzame stof voor mens, dier en milieu beschreven. Deze dossiers worden op Europees niveau door deskundigen beoordeeld, en na eventuele aanvullingen in de meeste gevallen goedgekeurd. Binnen de dossiers kunnen verschillende toepassingsgebieden aangevraagd worden. Zo is de desinfectie van zwemwater een ander toepassingsgebied dan de desinfectie van drinkwater of de desinfectie van oppervlakken. Op dit moment zijn er voor de desinfectie van water nog geen werkzame stoffen goedgekeurd, dat wil zeggen dat men nog bezig is met de beoordeling van de dossiers. Zolang de beoordeling van de dossiers nog niet afgerond is mogen de betreffende stoffen (zoals chloorbleekloog) gewoon gebruikt worden voor desinfectie. Voor desinfectiemiddelen geldt dat de werkzame stoffen daarin naar verwachting binnen de komende 5 jaar goedgekeurd gaan worden.

Los van goedkeuren van stoffen en toelaten van biocide producten moeten fabrikanten of leveranciers van werkzame stoffen in biocide producten die nu op de markt zijn, sinds 1 september 2015 op een lijst staan. Deze zgn artikel 95 lijst wordt bijgehouden door ECHA in Helsinki. Biocide producten waarvoor niet aangetoond kan worden dat de fabrikant van de werkzame stof in het product of een leverancier daarvan niet is vermeld op de lijst van artikel 95 zijn na 1 september 2015 niet meer toegestaan op de markt.

Bij biociden die in-situ gegenereerd worden, wordt in eerste instantie gekeken naar de grondstof (de precursor). Voor zoutelektrolyse-installaties is de grondstof zout (één grondstof dossier) en voor koper-zilver installaties zijn de grondstoffen een koperelektrode en een zilverelektrode (twee grondstof dossiers). Voor de grondstoffen moet ook een dossier opgesteld worden voor verschillende toepassingsgebied. In de zomer van 2015 heeft de Europese Commissie duidelijk gemaakt op weke wijze de in-situ gegenereerde biociden goedgekeurd moeten gaan worden. Daarbij kunnen zich twee situaties voordoen: biociden gegenereerd uit precursors die als precursor op de markt gebracht worden (bijv: koper/zilver) en biociden gegenereerd op stoffen die niet als precursor op de markt gebracht worden (bijv: ozon uit lucht). Zolang er in de in-situ installaties grondstoffen gebruikt worden die via een Letter of Acces verbonden zijn aan een EU stofdossier, hoeft de in-situ-installatie zelf geen toelating van het Ctgb te hebben. In andere gevallen, bijvoorbeeld als er actief chloor uit keukenzout of zeewater gemaakt wordt, of wanneer ozon uit omgevingslucht gemaakt wordt, dan is er uiteindelijk wel een toelating van de in-situ installatie zelf nodig. Specifieke informatie hierover kunt u vinden op de website van het Ctgb.

Wat moeten eigenaren en beheerders van zwembaden nu doen?
Nagaan of de biociden die gebruikt worden legaal op de markt zijn, dat wil zeggen dat ze een toelating van het Ctgb hebben (N-nummer) en in de keten van stofproducent tot leverancier van het biocide product moet tenminste één partij zijn die is vermeld op de lijst van artikel 95. Het is het eenvoudigste om dit bewijs op te vragen bij de leverancier, die ze weer bij de tussenhandel of de producent haalt.
Biociden producten waarvan de stofproducent of de leverancier niet vermeld is op de lijst van artikel 95, mogen niet meer in de handel zijn sinds 1 september 2015 (ze mogen nog wel opgebruikt worden). Hiervoor moeten alternatieven gezocht worden.
Het traject voor in-situ gegenereerde biociden is nog iets langer en hiervoor zijn op korte termijn nog geen actiepunten voor eigenaren en beheerders van zwembaden ter verwachten. Tot 1 september 2017 mogen alle soorten grondstof gebruikt worden in de in-situ installaties. Het is wel verstandig om te informeren bij de leverancier van de precursor of de installatie of deze actief betrokken is bij het EU dossier. Indien dat niet het geval is kan het zijn dat u voor 1 september 2017 over moet gaan naar een andere leverancier.



‹‹ Terug naar het overzicht